Gepubliceerd op 02-02-2018

160921 Beleidsplan Sociale Veiligheid


Samen zijn wij De Brug

1. De Vreedzame School als preventiekader

Uitgangspunt voor het beleid inzake sociale veiligheid op onze school is het programma van De Vreedzame School. De Vreedzame School beantwoordt aan de visie en missie van onze school.

De Vreedzame School is een programma voor sociale competentie en democratisch burgerschap. Het programma helpt onze school een gemeenschap te vormen waarin we leerlingen actief aanspreken op hun verantwoordelijkheid voor elkaar, hun omgeving, voor de schoolgemeenschap en de samenleving.

Met De Vreedzame School besteden we aandacht aan basale sociale-emotionele en burgerschapscompetenties die wenselijk zijn in een democratische samenleving, zoals je verplaatsen in een ander, op een democratische manier met elkaar beslissingen nemen, openstaan voor verschillen tussen mensen, constructief conflicten oplossen, omgangsvaardigheden en verantwoordelijkheid nemen voor de gemeenschap.

Wij willen kinderen op onze school zich niet alleen optimaal laten ontwikkelen in de academische vakken, zoals taal en rekenen, maar wij willen ook een bijdrage leveren aan de sociale en maatschappelijke vorming van leerlingen. Dat het ook goede mensen worden die op hun beurt een bijdrage aan de samenleving zullen leveren. Met elke generatie vormen we immers opnieuw onze samenleving.

Onze school dient ook een school te zijn waar álle kinderen zichzelf kunnen zijn en zich veilig en prettig voelen. Alleen dan kunnen ze leren. We doen veel om sociale veiligheid te bevorderen en om ongewenst gedrag zoals pesten te voorkomen. Hieronder werken we deze preventieve maatregelen nader uit.

Pesten

Wij spreken van pesten als er sprake is van:

• een negatieve intentie, bedoeld om een andere leerling leed te berokkenen;

• herhaaldelijke en langdurige blootstelling aan negatief gedrag/agressie van één of meer leerlingen;

• verschil in macht tussen pester en gepeste.

We maken onderscheid tussen pesten en plagen. Bij plagen is het negatieve gedrag niet structureel tegen dezelfde leerling gericht en is de machtsongelijkheid veelal niet zo duidelijk aanwezig als bij pesten. De insteek bij plagen is bovendien eerder elkaar aan het lachen maken, dan dat er sprake is van een expliciet negatieve intentie en buitensluiten. We leren leerlingen ook het onderscheid tussen pesten en een conflict. Een conflict is een verschil van mening of van belang (A wil dit en B wil dat). Soms ontaardt een conflict in een ruzie, als er sprake is van (fysiek of psychisch) geweld. Plagen kan vaak leiden tot een conflict: A wil dat B ophoudt en B vindt het leuk om er nog even mee door te gaan. Pesten is van een andere orde. De machtsongelijkheid en de structurele gerichtheid op één persoon maakt het onvergelijkbaar met plagen. Pesten is weloverwogen en proactief, gebeurt niet per ongeluk of spontaan, en ook niet als gevolg van uitlokking.

Pesten behoort tot het repertoire van kinderen, en het wordt gevoed in een cultuur die gekenmerkt wordt door competitie en individualisme. Wij bieden op onze school een sterk tegenwicht: de klas en school moet een positieve sociale gemeenschap te zijn, waarin een expliciete sociale en morele norm aanwezig is die ervoor zorgt dat we oog hebben voor elkaar, dat we rekening houden met elkaar, dat we allemaal verantwoordelijkheid dragen voor de gemeenschap, en dat je het recht hebt om jezelf te zijn, maar dat je dan ook de plicht hebt om ervoor te zorgen dat ieder ander dat recht heeft. Wij willen een school zijn waarin zorg voor elkaar centraal staat. Een school met een klimaat waarin sprake is van verbinding, eerder dan concurrentie of competitie. Een met een ‘inclusief’ groepsklimaat, waarin niemand wordt buitengesloten. Op die manier voorkomen we in veel gevallen ongewenst gedrag als pesten. Als er toch gepest wordt grijpen we snel in. Zie hieronder.

Aanpak van pesten en sociale onveiligheid

Als er zich dus toch pestincidenten voordoen, gaan we altijd eerst na of het programma van De Vreedzame School (nog) goed wordt uitgevoerd in de betreffende groep. Als dit niet het geval is, wordt hier eerst aandacht aan besteed. Vervolgens is er soms meer nodig. We hanteren daarbij een glijdende schaal: van vroegtijdig ingrijpen bij plagen tot uiteindelijk (als alle andere middelen zijn uitgeput) schorsen of verwijderen van leerlingen. In de figuur hieronder zijn de stappen in de aanpak van pestproblemen aangegeven. In de navolgende paragrafen worden de onderscheiden stappen toegelicht.

Veiligheidsthermometer

We gaan structureel na of de doelen van De Vreedzame School wel gehaald worden, met behulp van de Vragenlijst Groepsklimaat*, die we jaarlijks afnemen. Daarnaast nemen we ook jaarlijks de Veiligheidsthermometer af, een instrument dat inzicht geeft in de beleving van de sociale veiligheid van de leerlingen, in de feitelijke aantasting van de sociale veiligheid en het welbevinden van de leerlingen.

Het bestaat uit twee versies: een voor de leerlingen van de groepen 2, 3 en 4, en een voor de leerlingen van de groepen 5, 6, 7 en 8.

Analyse van de resultaten vindt plaats op drie niveaus:

 Op individueel niveau zal de groepsleerkracht de resultaten van zijn of haar leerlingen bekijken (de individueel ingevulde vragenlijst), en nagaan of er op individueel niveau direct actie nodig is. Bij opvallende zaken ligt het voor de hand om eerst een individueel gesprekje te voeren met de leerlingen die het betreft. Met name als leerlingen voor een score bij bepaalde vragen ‘altijd’ of ‘onveilig’ hebben gekozen (de meest negatieve score) is er reden voor zorg en nader onderzoek. Soms worden de antwoorden van leerlingen beïnvloed door recente, negatieve gebeurtenissen, en moet er niet zo zwaar getild worden aan de uitslag. Maar soms is er sprake van langdurige problematiek, en is er een aanpak nodig.

 Ook op groepsniveau worden de resultaten geanalyseerd en besproken. Eerst vindt een analyse plaats van de mogelijke oorzaken van een negatieve uitslag. Herkent de groepsleerkracht de score? Komt de score overeen met de eigen indruk? Welke leerlingen zijn opvallend? Passend bij het gedachtegoed van Vreedzaam is een bespreking met de groep zelf. De groepsleerkracht vat de resultaten samen, en bespreekt deze met de groep.

 Op schoolniveau zullen (in de stuurgroep Vreedzaam, waarin ook de directie zitting heeft) worden de resultaten van alle groepen besproken. Hierbij gaat de aandacht uit naar een vergelijking van de verschillende groepen met elkaar én naar een vergelijking met voorgaande jaren. Is er sprake van een negatieve of een positieve ontwikkeling? Zo ja, hoe komt dat? Hierbij worden tevens de acties geëvalueerd die vorig jaar zijn ondernomen om de veiligheid te vergroten.

Om de sociale veiligheid in kaart te brengen, hebben we binnen De Vreedzame School jaarlijks een Veiligheidscommissie: een commissie van leerlingen die zich buigt over hoe veilig de school is en wat er moet gebeuren om de school nog veiliger te maken.


2. Het voorkomen van pesten en sociale veiligheid.

Zoals we hiervoor al aangaven leggen we met het programma van De Vreedzame School fundament voor een sterk tegenwicht tegen pestgedrag. We noemen een paar belangrijke elementen van het programma, naast de wekelijkse lessen die leerlingen in alle groepen ondergaan.

Uitdragen van een positieve sociale en morele norm

Gedrag wordt voor een groot deel bepaald door de sociale norm in de omgeving. Leerlingen zijn gevoelig voor de vraag: ‘wat wordt er hier van mij verwacht?’ Om positief gedrag van leerlingen te stimuleren willen we expliciet een positieve sociale en morele norm uitdragen. Dit doen we onder andere door:

• de omgangsafspraken en het logo van De Vreedzame School hangen zichtbaar in de school;

• directe correctie van gedrag van kinderen dat haaks staat op de norm;

• aanwezigheid van de de directie bij de ingang van de school om de leerlingen ’s ochtends te begroeten, hen aan te spreken, een opsteker te geven, belangstellend te informeren, enzovoort.

De klas en school: een gemeenschap

We willen alle leerlingen het gevoel geven dat ze onderdeel zijn van de leefgemeenschap die de school en de klas vormen, dat hun aanwezigheid ‘verschil maakt’ en dat de klas of de school minder leuk zijn als hij of zij er niet bij is. Dit doen we onder andere door kinderen veel te laten samenwerken met verschillende leerlingen (met behulp van coöperatieve werkvormen), door samen omgangsafspraken te maken, samen te bedenken welke taken er in de klas zijn en die met elkaar verdelen, of als klas presentaties voor andere klassen te verzorgen. In het begin van het schooljaar besteden we veel aandacht aan de vorming van een positieve groep in alle klassen (met de lessen van blok 1 van De Vreedzame School).

Het voorgaande heeft evenzeer betrekking op de school. Het maakt veel uit of leerlingen zich verbonden voelen met de school als geheel als zij de school als een gemeenschap ervaren. Die gemeenschap bestaat dan − als het goed is − uit alle andere leerlingen, alle leerkrachten en alle ouders.

Op onze school vinden we het daarom belangrijk dat alle leerlingen alle leerkrachten kennen. Daarnaast zorgen we ervoor dat nieuwe leerkrachten zich altijd voorstellen aan de hele school. Soms gebeurt dit plenair bij een viering, maar soms gaat de leerkracht even de klassen rond. Kinderen kunnen de leerkracht dan vragen stellen nadat hij of zij zich heeft voorgesteld.

Investeren in de relatie met de leerlingen

We vinden het heel belangrijk dat alle leerlingen een goede relatie hebben met hun eigen leerkracht. Dat is een belangrijke voorwaarde voor een gevoel van veiligheid. We vragen van onze leerkrachten dat ze investeren in het leren kennen van de eigen leerlingen en in de onderlinge relatie. Ieder kind moet voelen dat het er toe doet, dat de leerkracht het fijn vindt dat hij of zij er vandaag weer is. Alle leerkrachten zorgen ervoor dat ze aan het begin van het jaar tussen de bedrijven door met iedere leerling een gesprekje voeren over persoonlijke zaken als: dingen waar ze tegenop zien, die ze leuk vinden of spannend, hoe het thuis gaat en wat ze graag doen na schooltijd.

Leerlingen worden mede verantwoordelijk

Als de klas een gemeenschap is, dan voelen leerlingen zich betrokken bij en medeverantwoordelijk voor wat er gebeurt in de klas. Bij ons op school krijgen leerlingen een stem, en leren zij die stem op een verantwoorde wijze te gebruiken. We geven leerlingen niet zozeer een stem om op te komen voor hun eigen belang, maar we willen dat ze zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor het algemeen belang. We willen dat zij hun steentje bijdragen aan het algemeen belang, aan de gemeenschap. En daar zullen ze zich eerder verantwoordelijk voor voelen als ze ook echt mogen meedenken en als ze serieus worden genomen.

Zo werken we met leerling mediatoren, met commissies in de klas, met schoolcommissies rond klas overstijgende zaken, en met groepsvergaderingen waarin leerlingen mee mogen beslissen over zaken die hun aangaan. We laten oudere kinderen jongere kinderen helpen bij allerlei activiteiten. En – specifiek gericht op ongewenst gedrag als pesten – leren we de leerlingen dat ze op kunnen en moeten komen voor gepeste medeleerlingen, dat ze ‘verdedigers’ kunnen zijn.

Opstekers

We streven dus naar een positief sociaal klimaat, waarin ieder kind zich veilig voelt, waarin respect is voor elkaar en waarin iedereen makkelijk samenwerkt met iedereen. Een op het eerste gezicht eenvoudig, maar zeer belangrijk middel om hier toe te komen is het geven van ‘opstekers’, of complimenten.

Kinderen (niet alleen kinderen, dat geldt helaas ook voor ons volwassenen) hebben de neiging om de negatieve gedragingen te benoemen, en het positieve als vanzelfsprekend te beschouwen. In De Vreedzame School leren we iedereen heel bewust positief gedrag te benoemen in de vorm van een ‘opsteker’.

Als iedereen in de groep in staat is om elkaar complimenten te geven, en zo hun waardering voor elkaar uit te spreken, ontstaat er langzamerhand een steeds positievere sfeer in de groep. En daarmee een cultuur waarin het normaal is om de nadruk te leggen op wat goed gaat. Een klimaat waarin kinderen zich gehoord en gezien voelen, zich gewaardeerd weten, het gevoel hebben dat het er toe doet dat ze er zijn.

Een grondwet: basisregels in de school

Pesten lijkt vaker voor te komen in een weinig gestructureerde omgeving en in een omgeving waar leerlingen onvoldoende voelen wat de sociale norm is. Duidelijke regels in de klas en in de school zijn dus van belang. Bij ons op school hebben we een grondwet: een set basisregels die vervolgens uitgewerkt kunnen worden in concrete verwachtingen ten aanzien van het gedrag.

Die regels komen voort uit onze pedagogische doelstellingen (de belangrijkste waarden) van de school. De Vreedzame School biedt hiervoor een expliciet pedagogisch kader. Zoals eerder vermeld, is het streven met het programma van De Vreedzame School dat leerlingen:

• op een democratische manier gezamenlijk besluiten kunnen nemen;

• conflicten constructief kunnen oplossen;

• zich zorgzaam en verantwoordelijk opstellen ten aanzien van de gemeenschap;

• openstaan voor verschillen tussen mensen.

Deze doelen zijn terug te vinden in de thema’s van de lesblokken, in positieve bewoordingen gevat:

1 We horen bij elkaar

2 We lossen conflicten zelf op

3 We hebben oor voor elkaar

4 We hebben hart voor elkaar

5 We zijn allemaal anders.

Onze schoolregels luiden:

• Wij helpen elkaar zodat iedereen zich veilig en prettig kan voelen.

• Wij werken aan zelfcontrole en rust in de school.

• Wij luisteren naar elkaar en gebruiken vriendelijke taal.

• Wij lossen problemen en conflicten samen op.

• Wij gaan zorgzaam om met elkaar en met onze spullen.

We gaan graag met ouders in gesprek over onze schoolregels.

Van grondwet naar groepsregels en omgangsafspraken

We introduceren in de eerste week van het nieuwe schooljaar de grondwet. Zo wordt meteen aan het begin van het schooljaar de trend gezet: ‘Zo doen we het hier op school!‘

Om kinderen duidelijk te maken om welk gedrag het gaat bij de regels, demonstreren leerkrachten en kinderen in de startlessen gedrag dat wel en niet bij de regels hoort. Zo worden de omgangsregels met elkaar gevuld en snapt iedereen wat er met de regels wordt bedoeld. 

De regels vormen op deze manier een kader voor gewenst gedrag: ‘Zo doen we het op onze school!’ Deze regels zijn vervolgens zichtbaar in de algemene ruimtes en in iedere groep. Ze staan ook op onze website en in de schoolgids.

Deze basisregels vormen een soort ‘kapstok’ waaraan de groepsregels worden ‘opgehangen’. In de lessen van De Vreedzame School (in blok 1) wordt samen met de leerlingen gesproken over de grondwet, de eigen groepsregels en de omgangsafspraken die elke klas met elkaar wil maken om ervoor te zorgen dat het voor iedereen in de klas prettig en veilig is. De regels worden door volwassenen opgesteld, de leerlingen maken samen (omgang)afspraken. Aan het begin van het jaar, tijdens blok 1, maakt iedere leerkracht in zijn of haar groep bekend welke groepsregels er gelden in de klas. Daarbij wordt de link gelegd met de grondwet op schoolniveau, zodat kinderen begrijpen dat de groepsregels afgeleid zijn van de grondwet. ‘De grondwet geldt voor de hele school en dit zijn de regels van de groep!’ Om die reden zijn de grondwetregels in iedere groep aanwezig. Vervolgens wordt in elke groep samen met de leerlingen omgangsafspraken gemaakt en op een afsprakenposter vastgelegd: ‘Zo willen we het in onze groep’.

Aanleren en handhaven van gedragsregels

Met het opstellen van gedragsregels zijn we er nog niet. Gedrag dat bij een bepaalde regel hoort, moet vrijwel altijd worden aangeleerd. Dus, zeker bij jonge leerlingen, oefenen we de gedragsregels met de hele klas.

Maar het opstellen van regels en het aanleren van het bijbehorende gedrag is op zich ook nog niet voldoende. Het handhaven van regels vraagt ook iets aan gedrag van de leerkracht (of andere volwassenen in de school). Bijvoorbeeld:

• modelgedrag vertonen;

• leerlingen herinneren aan de regel;

• leerlingen bevragen als ze zich toch niet aan de regel houden en een opsteker geven als ze het vervolgens wel doen;

• met de leerlingen meelopen;

• leerlingen aanspreken die zich niet aan de regel houden.

Om het naleven van gedragsregels te bevorderen, is het tevens van belang dat:

• alle leerkrachten in de klassen (indien nodig) regelmatig terugkomen op een of meer regels waar de leerlingen moeite mee hebben door de gedragsinstructie in de klas te herhalen;

• alle volwassenen in de school helpen bij het toezicht houden op het naleven van de regel; het team maakt afspraken over wie op welke plek toezicht houdt.


3. Bij het overtreden van de regels: zinvol straffen

Er zullen altijd situaties zijn waarbij leerlingen de regels overtreden en zich niet houden aan afspraken. Bij ernstige overschrijdingen van de grenzen zijn maatregelen of straffen nodig. Uiteraard straffen we bij ons op school af en toe leerlingen. We zijn ons er echter ook van bewust dat straffen niet altijd leidt tot de gewenste gedragsverandering, eerder tot meegaandheid: het volgen van de regels uit angst voor maatregelen. Het bezwaar hiervan is dat de leerling niet zelf nadenkt, niet reflecteert op zijn of haar eigen gedrag en op alternatieven voor dat gedrag. Er zijn enkele voorwaarden voor een ‘zinvolle’ straf, een straf die wel kan leiden tot verandering van gedrag. Wil een straf zinvol zijn, dan moet rekening worden gehouden met de behoefte van de leerling aan relatie, autonomie en competentie:

• Relatie: we spreken de leerling individueel aan, op zo’n manier dat de relatie niet verbroken is. We laten zien dat het om het gedrag gaat en niet om de persoon. We helpen hem of haar de fout te herstellen. (‘Wout, ik vind je een leuke jongen hoor, maar wat je nu hebt gedaan, kan echt niet!’)

• Autonomie: We zorgen ervoor dat de leerling mede-eigenaar wordt van het probleem, van het vinden van een oplossing, het maken van een plan en het uitvoeren van dat plan. (‘Wat heb je bedacht om dit te gaan oplossen?’)

• Competentie: We gaan ervan uit dat de leerling zelf met een goede oplossing komt en die ook uitvoert. En we laten onze waardering blijken als dat lukt. (‘Ik weet zeker dat je daartoe in staat bent. Zo ken ik je. Fijn dat je dat zo hebt gedaan!’)

Een ander belangrijk aspect van een ‘zinvolle’ straf is eigenaarschap. Straffen kunnen tot gedragsverandering leiden als de dader de straf als zinvol ervaart. Dat gebeurt vaak pas als de leerling mede-eigenaar wordt van het probleem en vervolgens zelf wil nadenken over de oplossing ervan. We steken dus eerst tijd en energie in het bewust maken van de leerling dat het vooral zijn of haar probleem is. Daarna kan de leerling gevraagd worden of hij of zij er iets aan wil doen en indien dat het geval is, luidt de vraag: ‘En hoe denk je het op te lossen?’ De ‘straf’ zal dan in het licht komen te staan van ‘herstellen’: soms daadwerkelijk de (fysieke) schade herstellen, soms het vertrouwen weer winnen, enzovoort.

Toezicht bij ons op school

Het houden van toezicht is van groot belang wanneer we willen werken aan de veiligheid binnen de school. Leerlingen hebben (naast gelegenheid om te oefenen met zelfstandigheid, en naast ondersteuning daarbij van volwassenen) ook altijd toezicht nodig. Leerlingen houden zich niet vanzelfsprekend aan regels en zijn geneigd grenzen te verkennen. Ze hebben het nodig dat die grenzen worden aangegeven door volwassenen. Bovendien kan in een situatie waarin onvoldoende toezicht en dus onvoldoende ‘leiding’ is, onveiligheid in een groep leerlingen sluipen.

De risicovolle periodes op een schooldag zijn de overgangen van bijvoorbeeld de klas naar het gymlokaal of naar het schoolplein, de pauzes op het plein, het overblijven en de tijdstippen vlak voor of vlak na het begin van de school. Wij hebben met ons team duidelijke afspraken gemaakt rondom het toezicht op verschillende plekken gebeurtenissen:

• schoolplein (bij in- en uitgaan van de school)

• schoolplein (pauzes)

• naar de gymzaal lopen

• bij feesten en voorstellingen in de aula

• de toiletten

• de fietsenstalling

• de gangen bij het in- en uitgaan van de klassen.

Behalve de afspraken die we als team hebben gemaakt over ons eigen gedrag bij het toezicht, hebben we samen met de leerlingen geformuleerd welk gedrag van de leerlingen in welke situaties wordt verwacht.

Bij het in- en uitgaan van de school

Op onze Vreedzame School vinden we het belangrijk dat de kinderen, de ouders en andere bezoekers zich welkom voelen in onze school. We willen aan de kinderen laten merken dat elk kind er toe doet. Het is belangrijk dat jij er bent! Het in- en uitgaan van de school is een uitgelezen kans om op een ontspannen manier contact te maken met kinderen én ouders uit verschillende groepen. Alle professionals in de school zijn hier zowel in de ochtend als in de middag bij betrokken. We hebben hierover de volgende specifieke afspraken gemaakt:

• De entree van de school ziet er uitnodigend en verzorgd uit.

• Er zijn afspraken over de tijd waarop de deur open- en dichtgaat.

• De directeur / locatieleider staat bij de deur als deze open gaat en verwelkomt elk kind en elke ouder door goedemorgen te wensen.

• De leerkrachten verwelkomen de kinderen met het geven van een hand.

• Alle professionals hebben een vaste plek bij het in- en uitgaan van de school. Zij houden daarbij ook goed zicht op de trappen en gangen.

• De leerkrachten voelen zich verantwoordelijk voor álle kinderen en stralen dit ook uit.

• Er wordt op een vriendelijke doch duidelijke manier omgegaan met telaatkomers. Hier zijn afspraken over gemaakt.

Bij gymnastiek

• We lopen op een afgesproken manier naar de gymzaal en terug naar de school.

• In de kleedkamers gedragen we ons volgens duidelijk afgesproken regels.

• We helpen bij het klaarzetten en opruimen van de materialen.

• Conflict lossen we met elkaar op.

Op de gang

• We lopen op een afgesproken manier op de gang.

• We gaan via afgesproken routes naar onze klas.

• Enzovoort.

Tijdens een voorstelling

• We hebben duidelijke regels voor ons gedrag bij een voorstelling en leven die na.

Commissies van leerlingen

Wij kiezen ervoor als school om bij het bevorderen van de sociale veiligheid binnen de school zoveel mogelijk de leerlingen in te schakelen. Zodra er een gevoel van onveiligheid wordt gesignaleerd, bespreken we dat in het team én we betrekken de leerlingen erbij om na te denken over wat er nodig is om een als onveilig ervaren situatie of locatie weer veilig te maken. Dat doen we o.a. met behulp van commissies.

Wanneer het gaat om een situatie waarbij de hele school betrokken is, vragen we uit alle groepen een leerling te laten deelnemen aan het overleg binnen de commissie, eventueel door de groep op democratische wijze gekozen. Soms gaat het alleen een deel van de leerlingen aan of slechts één groep; dan zijn alleen de leerlingen uit die groep betrokken bij de commissie.

Plaagsituaties

We zijn attent op plaagsituaties in en rond de school. Plagen speelt zich soms af op de grens van het aanvaardbare, en kan makkelijk overgaan in ruzie, of zelfs pesten. We besteden er in de lessen van blok 1 aandacht aan. Als plagen serieus wordt, ondersteunen we de geplaagde leerling om het plagen te laten stoppen en spreken de plager aan op zijn of haar gedrag. Soms schakelen we een buddy in: een medeleerling die de geplaagde leerling helpt er een einde aan te maken. Ook kunnen we de mediatoren vragen te helpen.


4. Pestaanpak.

Hoeveel we ook doen aan preventie, pesten kan altijd nog voorkomen. Als er toch pestincidenten zijn, dan is het uiteraard zaak om eerst na te gaan of aan de preventieve kant nog wel voldoende wordt gedaan, zoals in het voorgaande is beschreven (en of het programma van De Vreedzame School (nog) wel goed wordt uitgevoerd). Maar soms is er meer nodig.

In de eerste plaats vragen we altijd aan andere leerlingen om te helpen. Met name populaire leerlingen kunnen belangrijk zijn als ‘verdedigers’.

Als er meer nodig is hanteren wij een aanpak van pesten die goed past bij de uitgangspunten van De Vreedzame School: de Oplossingsgerichte Pestaanpak (OPA). De aanpak bestaat uit een aantal achtereenvolgende gesprekken tussen een leerkracht (of IB-er) en leerlingen. Eerst met de gepeste leerling alleen. Vervolgens met een zorgvuldig samengestelde groep leerlingen, inclusief de pester(s). Dit is de groep die voor verandering en steun gaat zorgen. Belangrijke elementen van de aanpak zijn: geen schuld, verwijten of straf , we gaan uit van het goede in ieder kind, we moedigen empathie aan, we maken iedereen verantwoordelijk, het is positief en oplossingsgericht, en de pester krijgt de kans zijn of haar gedrag te veranderen.

In deze aanpak worden meestal de volgende stappen onderscheiden:

Gesprek met het gepeste kind. De leerkracht (of een ander teamlid van de school) praat met het gepeste kind over de situatie, vraagt of hij of zij hulp wil, en stelt met hem of haar de steungroep samen. Dit is een gemengde groep van zijn zo’n 5 tot 8 medeleerlingen, waaronder leerlingen die de gepeste noemt als mogelijke helpers, maar ook de pester en meelopers of buitenstaanders; liefst ook een verdeling van jongens en meisjes.

We vragen in dit gesprek aan de leerling of hij of zij wil dat de ouders op de hoogte zijn van de gesprekken. Als een externe of een andere volwassene (niet de eigen groepsleerkracht) binnen de school deze gesprekken gaat voeren, lichten we de ouders altijd in.

Gesprek met de steungroep. Hierbij is het gepeste kind niet aanwezig. In dit gesprek wordt de steungroep uitgenodigd om de gepeste medeleerling te gaan helpen. Ze worden uitgenodigd om met ideeën en voorstellen te komen. Dit alles met als doel dat het pesten moet stoppen.

Tweede gesprek met de gepeste. Na ongeveer een week bespreekt de leerkracht hoe het nu gaat met de gepeste.

Tweede gesprek met de steungroep. Na ongeveer een week is er ook een gesprek met de steungroep, waarin ieder lid de gelegenheid krijgt om te praten over wat hij of zij heeft gedaan.

Soms moet deze cyclus nog een of meerdere keren herhaald worden om er voor te zorgen dat het interactiepatroon blijvend verandert.

Digitaal pesten

Digitaal pesten, online pesten of cyberpesten is een nieuwe vorm van pesten, maar de basis van de aanpak is dezelfde als bij ‘klassiek’ pesten. Wat je in het ‘echte leven’ niet mag, mag je online ook niet! Dat online communiceren anders verloopt dan offline communiceren en risico’s met zich mee brengt, daarvan zijn kinderen zich, zeker op de basisschool, nog niet altijd bewust. Daarom vinden wij het belangrijk om kinderen leren om te gaan met sociale media, en dat we kinderen opvoeden tot digitaal burger.

We hebben duidelijke afspraken gemaakt over digitaal pesten en over online communiceren.

Vanaf het moment dat mobieltjes een rol gaan spelen in de groep gaat de groepsleerkracht met de groep in gesprek over de manier waarop ze hiermee om kunnen gaan. We zetten direct ook op dit terrein een duidelijke norm neer: ‘Zo doen we dat hier op school met sociale media!’

Problemen op dit gebied worden direct gebruikt als ‘teachable moments’, als een gelegenheid om afspraken te maken over het gebruik van sociale media, bijvoorbeeld de groepsapp.

Ook bij digitaal pesten spelen we zo vroeg mogelijk in op signalen. We stimuleren leerlingen zelf om incidenten direct te melden bij de leerkracht. Vervolgens nemen we onmiddellijk de tijd om hierover met de leerling(en) te praten.

Afhankelijk van wat de betrokken leerling hierin aangeeft en afhankelijk van onze inschatting of dit in de groep besproken kan worden, maken we dit bespreekbaar in de groep. Alleen als de betrokken leerling (eventueel in overleg met zijn of haar ouders) dit zelf wil.

In het kader van De Vreedzame school besteden we vanaf groep 5 geregeld aandacht aan online communiceren.

Herstelgesprekken

De hiervoor beschreven Oplossingsgerichte pestaanpak is niet altijd mogelijk, of geeft soms geen resultaat: de pester stelt zijn of haar gedrag niet bij. Soms zijn de pestsituaties zo ernstig dat er iets anders moet gebeuren. Of soms wil de gepeste leerling niet meewerken. Soms valt de pester in herhaling en komt de grens van het toelaatbare in de school in het vizier.

Ter bescherming van de gepeste leerling zullen we – als alle pogingen (inclusief externe hulpverlening en een laatste waarschuwing) geen resultaat hebben gehad - moeten overgaan tot schorsing of verwijdering. Een dergelijke noodoplossing is natuurlijk geen oplossing van het probleem. Vaak blijven de leerlingen elkaar ontmoeten in de buurt. Het onopgeloste probleem krijgt dan mogelijk een vervelend vervolg buiten school. Om die reden geven we, voordat de fase van schorsing en/of verwijdering ingaat, aan de betrokkenen een laatste kans om de situatie te herstellen.

We gebruiken hierbij de vorm van herstelgesprekken. De betrokken partijen komen bij elkaar met als doel om de ‘schade’ te herstellen. Het gaat dan niet alleen om herstel van de (materiële of emotionele) schade, maar vooral ook om het herstel van de relatie. Naast de pester en het gepeste kind worden bij voorkeur ook anderen (familieleden, vrienden, andere betrokken) bij het gesprek betrokken. Een voorwaarde voor een dergelijk herstelgesprek is uiteraard dat de pester (en diens ouders) verantwoordelijkheid willen nemen voor het aangedane leed, het aanhoren van het verhaal van het gepeste kind (en diens ouders) over de zware gevolgen van het pesten, en dat zij bereid zijn excuses te maken. De basisvragen die centraal staan bij herstelbijeenkomsten zijn:

• Wat is er gebeurd?

• Wat dacht je op dat moment en hoe denk je er nu over?

• Wie is er door het gebeurde beschadigd, benadeeld, en hoe?

• Hoe zorgen we ervoor dat iedere betrokkene zijn kant van het verhaal kan laten horen?

• Wat is nodig om te herstellen wat er is gebeurd?

Wij willen als school graag samen met de ouders optrekken op dit terrein. In het geval van incidenten zoeken we snel contact om samen te bespreken hoe we hiermee om zullen gaan. Maar ook in meer algemene zin willen we ouders bij het veiligheidsbeleid betrekken. Dat doen we door ze te informeren over wat de school doet aan het voorkomen en aanpakken van ongewenst gedrag als pesten. En over bij wie ze terecht kunnen als er iets is. We nemen ouders heel serieus daarin.

Om er voor te zorgen dat de veiligheid in en om de school iets wordt waarvoor ouders en school zich gezamenlijk verantwoordelijk voelen, gaan we met ouders het gesprek aan. Dat doen we door het organiseren van een ouderavond waarin de dialoog over de sociale veiligheid centraal staat.


5. Time-out en ongewenst, grensoverschrijdend gedrag.

Er blijven altijd situaties waar leerlingen de regels overtreden en zich niet houden aan afspraken. Bij ernstige overschrijding van de grenzen zijn maatregelen of straffen nodig.

Uiteraard straffen we bij ons op school indien noodzakelijk. We zijn ons ervan bewust dat straffen niet altijd leidt tot de gewenste gedragsverandering. Het is belangrijk dat het kind leert reflecteren op zijn/haar eigen gedrag. Er zijn enkele voorwaarden voor een “zinvolle straf”. Een straf die kan leiden tot verandering van gedrag. Wil een straf zinvol zijn, dan moet rekening gehouden worden met de behoefte van de leerling aan relatie, autonomie en competentie.

Time-out plek

Op De Brug werken we met een time-out plek. Dit is een duidelijk afgesproken plaats in het gebouw waar van tevoren met bepaalde kinderen is afgesproken dat zij aldaar kunnen afkoelen en tot zichzelf kunnen komen.

Van tevoren is afgesproken

• Of een kind hier zelfstandig en uit zichzelf naar toe mag gaan.

• Dat de leerkracht deze leerling ook kan aangeven naar deze plek toe te gaan.

• Deze plaats wordt voor een bepaalde periode bezocht. Daarna komt de leerling in de groep terug.


Ongewenst gedrag

Ongewenst gedrag zien wij wanneer een leerling bij herhaling brutaal is, niet wil luisteren, ongevraagd de aandacht opeist, enz. Hier volgt een strafmaatregel op.

Maatregelen.

Op De Brug kan dit zijn:

• Ergens apart werken. (Aandachtspunt = toezicht houden op het kind)

• Nablijven. (Aandachtspunt = ouders verwittigen)

• Strafwerk mee naar huis geven en volgende dag inleveren met handtekening ouder.

In alle gevallen geldt:

• Ouders zijn op de hoogte gebracht van de maatregel

• Na afloop wordt geëvalueerd met de leerling: Wat heb je nu geleerd/ Wat moet nu anders gaan.


Grensoverschrijdend gedrag

In ernstige gevallen kan het gedrag zodanig (fysiek/seksueel getint/anderszins) zijn dat een maatregel zoals hierboven beschreven op dat moment onvoldoende is.

We spreken van grensoverschrijdend en bedreigend gedrag.

Er volgt een disciplinaire maatregel:

Protocol bij grensoverschrijdend gedrag.

1. De leerkracht informeert de directie/lid MT/bij afwezigheid collega.

2. Het directielid/lid MT/eerste aanspreekpunt belt de ouder.

3. Het directielid/lid MT/eerste aanspreekpunt geeft aan wat de situatie is en geeft aan dat het kind een rode kaart krijgt.

4. Bij drie keer rode kaart treedt protocol “schorsing” in werking.



Schorsing en verwijdering

(Vanuit document Fluenta)

Schorsing kan pas worden opgelegd na een officiële berisping als gevolg van één of meerdere time-outs of na een overtreding die, naar de mening van de directie, schorsing rechtvaardigt. Schorsing is een wettelijke maatregel, die gebonden is aan bepaalde voorwaarden.


Voorafgaande aan de schorsing

1. Alle ouders zijn middels een schrijven aan het begin van het schooljaar geïnformeerd over het protocol disciplinaire maatregelen.

2. Er moet minstens 3x gesprekken hebben plaatsgevonden tussen school en ouders.

3. Er moet minstens 3x strafmaatregel getroffen zijn zoals hierboven beschreven.

4. In het derde gesprek met de ouders moet aangegeven zijn dat schorsing een volgende stap kan zijn.


Voorwaarden schorsing

• Het College van Bestuur wordt voorafgaand aan de schorsing door de directie van de school in kennis gesteld van deze maatregel.

• Gedurende de schorsing wordt de leerling de toegang tot de school ontzegd. Voor zover mogelijk worden er maatregelen getroffen waardoor de voortgang van het leerproces van de leerling gewaarborgd kan worden.

• De betrokken ouders worden door de directie uitgenodigd voor een gesprek betreffende de maatregel. Hierbij dienen nadrukkelijk oplossingsmogelijkheden te worden verkend, waarbij de mogelijkheden en de onmogelijkheden van de opvang van de leerling op de school aan de orde komen.

• Zowel van de schorsing en het gesprek met de ouders wordt een verslag gemaakt en aan de ouders bekend gemaakt.

Het schorsingsbesluit wordt ter kennisgeving verstuurd aan:

• het College van Bestuur;

• de ambtenaar leerplichtzaken;

• de inspectie van het onderwijs.

• Ouders kunnen beroep aantekenen bij het College van Bestuur. Het College van Bestuur beslist uiterlijk binnen 14 dagen op het beroep.


Procedure schorsing

• De directie van de school draagt de eindverantwoordelijkheid voor schorsing

• De directie van de school is verplicht hoor en wederhoor toe te passen. Dit betekent dat de klager en aangeklaagde het recht hebben door de directie gehoord te worden. Minderjarigen worden in dezen vertegenwoordigd door hun ouders of verzorgers. Zij kunnen zich bij laten staan door een deskundige of vertrouwenspersoon. Hiervan wordt een gespreksverslag gemaakt.

• De directie motiveert daarna schriftelijk de voorgenomen schorsing indien het genoemde overleg daartoe redenen geeft.

• De directie meldt de voorgenomen schorsing aan de ouders en het College van Bestuur van de school.

• Het schorsingsbesluit wordt daarmee definitief en wordt als definitief besluit meegedeeld aan de leerling, ouders of voogd, het College van Bestuur, de leerplichtambtenaar en de Inspectie van het onderwijs.

• De ouders ontvangen een afschrift van het schorsingsbesluit en, indien van toepassing, het gespreksverslag en tekenen dit voor gezien.

• De ouders wordt gewezen op de beroepsmogelijkheid bij het College van Bestuur.

• Een afschrift van het schorsingsbesluit en, indien van toepassing, het gespreksverslag wordt in het leerlingendossier bewaard.

• De schorsing kan voor ten hoogste drie weken worden opgelegd en kan hooguit twee keer worden verlengd.


Verwijdering

Bij het zich meermalen voordoen van een ernstig incident, dat ingrijpende gevolgen heeft voor de veiligheid en/of de onderwijskundige voortgang van de school, kan worden overgegaan tot verwijdering.

De wettelijke regeling is hierbij van toepassing.

Voorwaarden verwijdering

• Verwijdering van een leerling van school is een beslissing van het College van Bestuur.

• Voordat men een beslissing neemt, dient het College van Bestuur de betrokken leerkracht en de directie te horen. Hiervan wordt een verslag gemaakt wat aan de ouders ter kennis wordt gesteld en door de ouders voor gezien wordt getekend.

• Het verslag wordt ter kennisgeving opgestuurd naar:

o de ambtenaar leerplichtzaken;

o de Inspectie van het onderwijs.

• Het College van Bestuur informeert de ouders schriftelijk en met redenen over het voornemen tot verwijdering, waarbij de ouders gewezen wordt op de mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift.

• De ouders krijgen de mogelijkheid binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen. Het College van Bestuur is verplicht de ouders/verzorgers te horen over het bezwaarschrift. Het College van Bestuur neemt een uiteindelijke beslissing binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

• Een besluit tot verwijdering is pas mogelijk nadat een andere basisschool of een andere school voor speciaal onderwijs is gevonden om de leerling op te nemen of dat aantoonbaar is dat het College van Bestuur, gedurende acht weken, er alles aan heeft gedaan om de leerling elders geplaatst te krijgen.


Procedure verwijdering

• Het College van Bestuur draagt de eindverantwoordelijkheid voor de verwijdering

• Het College van Bestuur is in samenwerking met de betrokken leerkracht en de directie van de school verplicht hoor en wederhoor toe te passen. Dit betekent dat het College van Bestuur, voordat men een beslissing neemt, de betrokken leerkracht en de directie heeft gehoord. Hiervan wordt een verslag gemaakt wat aan de ouders ter kennis wordt gesteld en door de ouders voor gezien wordt getekend.

• Dit betekent verder dat de aangeklaagde partij bij het aantekenen van bezwaar het recht heeft door het College van Bestuur te worden gehoord. Minderjarigen worden in dezen vertegenwoordigd door hun ouders of voogden. Zij kunnen zich bij laten staan door een deskundige of vertrouwenspersoon.

• Het College van Bestuur meldt het voorgenomen besluit tot verwijdering aan de directie van de school, de ouders, de leerplichtambtenaar en de Inspectie van het onderwijs.

• De ouders krijgen de mogelijkheid binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen.

• Het College van Bestuur neemt een uiteindelijke beslissing binnen vier weken na ontvangst van het bezwaarschrift.

• Een afschrift van het verwijderingsbesluit wordt in het leerlingendossier bewaard.

• Effectuering van het besluit tot verwijdering is pas mogelijk nadat een andere basisschool of een andere school voor speciaal basisonderwijs is gevonden om de leerling op te nemen of dat aantoonbaar is dat het College van Bestuur, gedurende acht weken, er alles aan heeft gedaan om de leerling elders geplaatst te krijgen.